Jacob Jacobse Coloos
Relatie: de stamreeks van Coloos.
1633
Jacob is gedoopt te Oeren op 28 januari 1633.
In een dooptafel van Oeren zijn vier aantekeningen gevonden van dopen van de kinderen van Jacob Boudewijnszoon Coloos en zijn vrouw Maria Nicolaasdochter De Cots, respectievelijk Judocus, Maria, Jacob en Petrus. Dit was dus in de tijd van de tachtigjarige oorlog, die in 1648 eindigde.
De originele doopboeken van Oeren zijn verloren gegaan in de eerste wereldoorlog. Dat was althans de lezing in Brugge, maar tot mijn grote geluk was er nog een exemplaar in het nationaal archief, zodat nu de originele doopteksten beschikbaar zijn.
In de 1e wereldoorlog werd vrijwel het hele dorp verwoest, maar de (gerestaureerde) kerk staat er nog. Ook het vervallen café met de naam ‘De Leute‘ staat nog overeind. De gevelplaat vermeldt dat het café uit ongeveer de tijd van Jacob' geboorte is. Er zijn daar na de Franse Revolutie nog huwelijken gesloten in de opkamer.(vouwte).
Circa 1660 Dan vertrekt Jacob uit de Zuidelijke Lage Landen naar de omgeving van Leiden. Waarom emigreerde Jacob? Want zo mag men zo‘n verhuizing in die tijd toch wel noemen. In het archief van Brugge ontmoette ik een kenner van die tijd en die omgeving. Deze vertelde mij dat de belastingdruk toen zó hoog was, dat veel boeren hun bezittingen achterlieten en elders hun heil zochten. De belastingen waren erg hoog door de toendertijd gevoerde Engelse Oorlogen. (van 1652-1654 en van 1665 tot 1667).
Laten we maar aannemen dat Jacob één van hen was. Ergens tussen 1660 en 1664 trouwde Jacob met Maartje Westgeest
1664
Op 16 januari 1664 koopt Jacob:
Jacob moest hiervoor betalen 850 gulden plus 21,50 gulden belasting. In totaal dus F871,50.
Hij koopt dit van de grootmoeder van Maria Westgeest wat dan zeer waarschijnlijk al zijn vrouw is, te weten Geurtgen Isbrants die zoals uit de akte blijkt na het overlijden van Simon Westgeest is hertrouwd met Leendert Cornelis Verdel weduwnaar van Trijntje Crijnen Cortswager en ook deze Leendert is inmiddels overleden. Geurtje moet dan al ruim achter in de zeventig jaar zijn.
Geurtje is in het bezit gekomen van deze onroerende goederen via de ouders van Leenderts Verdels eerste vrouw t.w. Crijn Willems Cortswager en Neeltjen Jacobs. Deze zogenaamde Scheidinge (boedelscheiding) had plaats gevonden op 9 april 1622 voor schout en schepenen van Oegstgeest.
Zie tekst van akte I.
Op 1 april 1664 verschijnt Jacob Jacobszn Coolloos,
‘Buijrman in Oestgeest‘ voor Johan Wijgans ‘Baillju ende Schoudt der Vrije heerlicheden van Oestgeest ende Poelgeest‘ om een rentebrief op te laten maken over een bedrag van 500 gulden. Over dit bedrag moet een jaarlijkse rente worden betaald van 20 gulden op de verschijndag (3 mei). Of 22 gulden en 10 stuivers na de verschijndag, maar binnen 3 maanden! Jacob leent dit geld van Gerrit Ozierszn van der Cock ‘Vleijshouwer‘. Als onderpand stelt Jacob zijn huis en een boomgaard van 220 roeden groot.
Deze lening was op 25 juli 1698 afgelost. Dit was een lening tegen 4 procent op jaarbasis.
Zie tekst van akte II.
1665
Te Oegstgeest werd in 1665 een lijst opgesteld van onder de wapenen gestelde mannen. Hierop komt Jacob ook voor. Zoals de meesten wordt hij aangesteld om een musket of roer te hanteren.
1668 en 1672
De morgenboeken in het archief van het Hoogheemraadschap van Leiden vermelden dat Jacob de grond had gekocht van ‘de Edele Heere van Wassenaar‘. De totale oppervlakte was 245 roeden, dit is ongeveer een 3/4 voetbalveld. Een morgen was een oppervlakte land, dat een boer in één morgen kon ploegen. Overigens verschilde deze maat van gebied tot gebied.
In deze boeken wordt Jacob twee keer vermeld als cooper, gebruijker en eijgenaer en wel in 1668 (Kolloos) en in 1672 (Colloos).
Het stuk grond was gelegen te Oegstgeest in de banne van de Vlieth zuytvaert tot de Hoffwech ende tot Eyndegeest bij oosten den Heerewech.
In het tegenwoordige Oegstgeest is dat tussen de Geversstraat/Rhijngeesterstraatweg en de Terweeweg/Wijterbachweg.
In het jaar 1674 woont Jacob aan de Lagewegh in Oegstgeest.
Dat blijkt uit de ‘Kohieren van het familiegelt van Rijnland van 1674‘. Deze lijsten van inwoners van de dorpen van Rijnland werden opgemaakt met de bedoeling weer eens een extra belasting te heffen. Dit was i.v.m. de oorlogen die de Staten van Holland zo veelvuldig voerden. En wel om te blijven domineren met de grote handelsvloot van die tijd. De lijsten werden wel opgemaakt, maar de belasting nooit geheven.
In deel I blz. 20 staan onder Oegstgeest Lagewegh 20 mensen vermeld, waaronder ook Jacob Jacobsz Colloos, arbeider 1/2 (stuiver).
1676
Op 17 mei 1676 trouwt Jacob Jacobssen Colloos te Oegstgeest, als weduwnaar van Maartgen Dircs van Westgeest, met Annitgen Maartens Mourkerken ‘jonge dochter van Sassem‘. Dit laatste betekent: niet eerder gehuwd en geboren te Sassenheim.
Ook in Leiderdorp wordt een ondertrouw aantekening opgemaakt, omdat Annetje daar woonde. In die aantekening wordt vermeld, dat Jacob geboren was te Ourn, het tegenwoordige Oeren dat bij het dorp Alveringen is gevoegd.
HNA dtb Leiderdorp 6A:II
Dit zijn fotokopieën uit het Rechterlijk Archief van Leiderdorp, nrs 62-63. Hierin blz 329:
Actum den 2 meij 1676, mij present Schrevelius secretaris.
In de kantlijn: Ende heeft hij Jacob Jacobsz Coolloos beneffens Arij Teunisz van Egmont als meester van Annetge Maertens voornoemt ‘t selve ten register van Leijderdorp doen aenteijckenen.
1679
Uit dit huwelijk wordt een dochter geboren; Maria. Zij wordt gedoopt op 6 maart 1679. Getuigen hierbij zijn Cornelis en Annitie Maartens (Mourkerken). Bijzonder is dat het doopboek van Oegstgeest aanvangt op 12 februari 1679. De tweede doop die vermeld staat is de doop van Maria...
Dit kind is waarschijnlijk jong overleden, althans vóór de aanvang van de gaarderregisters in 1695. Hierin werden huwelijken en begrafenissen kort aangetekend om te bepalen of er belasting over geheven moest worden.
1685
In de Bonboeken in het gemeentearchief van Leiden, inventarisnummer 6615, blz 425v wordt vermeld dat Jacob op 27 juni 1685 10 huisjes kocht.
Die waren gesitueerd ‘int poortge in de Catharijne Veststeech‘ in de wijk ‘Suijt Rapenburch‘.
Deze huisjes werden aan hem verkocht door Dirck Dirck Toornblaet. Deze was aangesteld als curator over de boedel van Johannis de Cock.
Jacob Jacobs Coolloos moest daarvoor 540 gulden betalen. Waarvan 200 contant en 100 gulden per jaar aflossen. Op diezelfde bladzijde staat dat Jacob deze huisjes op 4 januari 1688 doorverkocht aan Hendrick Lodewijcxen Kenis voor hetzelfde bedrag. Deze Hendrick was zijn schoonzoon en een jaar eerder met zijn dochter Anna getrouwd.
Nog tijdens Jacobs leven in 1686 werden de kinderen van zijn vorige vrouw Maartje Westgeest benoemd als (mede)erfgenamen van Engel Symonsz van Alkemade. Deze Engel was een broer van Maartjes moeder.
Zie tekst Akte III.
1686
Op 23 juli 1686 werd een akte op langstlevende opgemaakt ten behoeve van het echtpaar Jacob Jocobsz Coolloos en Annetje Maartensdr Moerkerke wonende aan de Benedenweg in Oegstgeest. Jacob lag ziek te bed, maar was nog bij zijn volle verstand zoals de notaris Jacob van der Laan vaststelde, die de akte bij Jacob en Annetje thuis opmaakte. Getuigen hierbij waren de schoonzoon Hendrik Lodewijksz (Kennes), die met dochter Anna was getrouwd en Cornelis Daniels van Nes.
Bijzonder is dat Jacob onder deze akte zijn handtekening plaatste evenals zijn schoonzoon Hendrik Lodewijksz (Hendrick Lodijwijcke), Anna Moerkerke en Cornelis van Nes tekende met een kruisje.
Zie tekst Akte IIIa.
1689
Op 11 december 1689 machtigt Annetie van Mourkerken Thomas van Swieten.
Opdat hij voor haar het nog met hypotheek bezwaarde huis en land van haar (zojuist?) overleden man Jacob Coolloos kan verkopen. Hier wordt voor de eerste keer melding gemaakt van het overlijden van Jacob.
Dit is het begin van de akte en de ondertekening daarvan door Annetje. Zij tekende met een kruisje.
De complete tekst is te lezen bij Akte IV.
Een half jaar later, op 3 mei 1690, worden de bezittingen door de gemachtige Thomas van Zwieten verkocht aan Thomas de Coninge. Zie Akte V.
Het bracht 364 gulden op. Als de 500 gulden die Jacob in 1664 leende helemaal nodig waren om deze bezittingen te kopen, dan was er een flink verlies geleden....
Begin december 1689 of kort ervoor is Jacob overleden. Hij werd 56 jaar.
De transcripties van de relevante aktes
Akte I Koopakte Datum 16-01-1664Bron: ARA OR Oe inv.nr. 23 folio 115v en 116.
Coopp(rij)s 850,, -,,-
40e penninge 21,,5,,- [dit is belasting: 2½ %]
verantwoort 1e october 1663.
Akte II Rentebrief (hypotheek) Datum 03-05-1664
Bron: Oud Recht Oegstgeest inv.nr. 23 folio 144 en 144v.
Ende bekende hij Comparant vercoft te hebben ende bij desen wel ende deuchdelicken schuldich te wesen aen ende ten behouve van Gerrit Oziersz van der Cock, Vleijshouwer, een losrente van twee-entwintich guldens (ende thien stuijvers) te XL (40) grooten ‘t stuck ‘s-jaers, doch betalende jaerlicx binnen drije maenden naer den verschijndach in sulcken geval en anders niet van twintich guldens ,s-jaers, verschijnende Jaerlicxs den 3en Meij, die welcke hij Comparant alle ende telcken jare beloofde te sullen betalen in vrijen ende suijveren gelde sonder eenigerhande cortinge of afbreck , t-sij van beden, subventien, schattinge van verpondingen ofte andere contributien, van ? meerder of minder penningen hoe die genamt ende bij wien die alrede inne gestelt ende ommegeslagen sijn of noch sullen werden, alvoaert oock sulcx dat bij placcate ofte andersints verclaert werde dat men op dese ende gelijcke renten, cortinge ende afslach soude mogen doen ende moeten lijden van alle voordeel ende proffijt vandien hij wel uijtdruckelick renuntieerde ende afstandt dede mits desen waervan dienvolgens ‘t eerste jaerrente vallen ende verschijnen sal den 3e Meij van den jare 1665 geduijrende sulcx van jare te jare soo lange ende ter tijt ende wijle toe, dat de voorschreven rente effectuelick gequeten ende afgelost sal zijn, ‘t welck hij Comparant ende sijne Nacomers tot allen tijden sullen mogen doen alst haer gelieft, nae behoorlicke waerschouwinge van drije maenden precijs mits opleggende ende betalende in goeden geevalueerden gouden ofte zilveren gelde een somme van vijfhondert guldens Capitael met bijvouginge van alle de renten die alsdan nae beloop des tijts verschenen ende onbetaelt sullen sijn, hier onder soo waer hij Comparant verbindende ende verbint bij desen eerst specialick een woninge, als huijs, ende boomgaert, groot volgens de metinge van Mr. Johannes Doust geswooren lantmeter van Rijnlandt, twee hondert en twintich roeden leggende tusschen den Heerewech ende de Lijdwech in dese heerlicheijt belegen hebbende te oosten de Lijdwech, ten noorden ende westen de heer Adriaen Knotter ende te zuijden Daniel Hendricxsz van Nes ende voorts generalick alle sijne verdere goederen jegenwoordige ende toecomende geen uijtgesondert, deselve onderwerpende ‘t bedwang specialick van den hove van hollandt ende voorts van alle andere rechten ende rechteren. Eijntelick bekent hij Comparant ter saecke deser constitutie van renten al wel ende ten vollen vernought, voldaen ende betaelt te sijn, de laetsten penning mitten eersten ende dat met gelijcke somme van vijf hondert guldens munte voorschreven in gerede gelde. Des ten oirconde hebbe ick Baillju ende Schoudt desen ten verlijde van den Comparant met het zegel ten saecke van ‘t Schoutampt voorschreven, verordent, bezigelt ende beneffens de Schepenen onder de plijcopie alsmede te registre geteijckent op den derden Meij des jaers 1664.
wg: Wijgans, P.G. Brouchdijck en C.L. Leeuwershenvelt.
Naast de akte staat: Alsoo de principale deeser neevens staande gront rentebrief 144 is gecasseert vertoont, soo zij deesen geroyeert. Actun deesen 25en juli 1698. Jacob van Zanen secretaris.
Aldus gedaan ende verleden in presentie van
Cornelis Baart ende Johannes Hoekeveld als getuigen ten desen versogt ende
was getekent Engel Sijmons van Alkemade, C. Baart, J. Hoekenveld, L. v. Asperen
not. publ. 1686. copie uitgegeven 1690.
terug naar 1685
Begerende mede zij comparanten dat de voorgenoemde voogdije ende ’tgeene daar aan eenigsints dependeert sal werden uijtgevoert bij de selve voogden alleen, ende sulcx sonder eenige de minste kennisse van eenig magistraaten, schouten, weesmannen ende allen anderen die andersints amptshave eenig gesach over haer minderjarige ende andere toesicht behoevende erfgenamen ende der selver goederen zouden mogen competeeren, als alle dezelve van zorgen ontlasten bij dese, ’tgeen vermeld staat verclaarden zij comparanten alsoo te wesen haar uijterste wille ende begeerden dat ’t selve daar vooren plaats grijpen sal, aldus gedaan verleden ende gepasseert ten huijse van de comparanten, present Cornelis Daniels van Nes ende Hendrick Lodewijces als getuigen hiertoe versogt (w.g.)
Jacob Jacobsz Coolloos
Dit X is Annetge Maartens van Moerkercke haar zelfs gestelde merck
Dit ‘X’ is Cornelis Daniels van Nes zijn zelfs gestelde merck
Hendrick Lodijwijcke
Mij tegenwoordig
J. van der Laan not.s publ. 23.7.1686
Bron: Archiefnr. 506, Inventarisnr. 1092B, folio nr. 427/428
Naam notaris: Jacob van der Laan.
Bron: Leiden Notarieel Archief inv.nr. 1016 folio 70.
Annetie Maartens van Mourkercken weduwe ende boedelhoudster van zaliger Jacob Jacobse Coolloos wonende inden Ambachte van Oestgeest mij notaris welbekent, dewelke verklaarde te constitueren en machtich te maacken gelijck deselve doet bij desen, Thomas van Swieten wonende binnen der Stadt Leyden, specialijc omme uyt haar comparantes naeme ende van desselfs wegen ten overstaan van de Heeren mr. Rene Thomas van Muylenburch administrateur ende Cornelis van Swieten med. doctor mede wonachtich binnen der voorschr. Stadt
in t openbaar ofte uytterhant te verkoopen
Een huisinge, erve, barch, boomgaert, potinge en plantinge staande ende gelegen aande Lageweg inde voorschr. Ambachte, belent aan de een zijde ten zuyden Cornelis Daniels van Es gebijnaamt Hain en aan deander zijde ten noorden Simon Pietersz Westgeest, streckende voor van de voorschr. Lagewech tot achter aan de Heer Adriaan Wittert van der Aa ende dat op soodanige conditien ende voor alsulcke somme van penninge als het de voorschreve geconstitueerde goet vinden ende geraatsaam achten sal.
Het voorschreve huys ende erve aan den kooper off koopsters en voor Schout ende Schepenen van Oestgeest voorseyt op te dragen en te transporteren alst behoor, haar Comparante van te onterven en den kooper daarinne te erven vestigen.
Belofte van waringe te doen onder verbant van haar Comparantes persoone en goederen engeen uytgezondert. Wijders de kooppenningen daarvan uyttelooven, inne te vorderen en te ontfangen. Custinghbrieff over te nemen en deselve mede wettelijk te mogen transporteren ende insglijce de penningen te ontfangen, quytantie te passeren ende van alle de voorzeide ontfangh quytscheldinge te doen, voort uyt deselve ontfangen en overschietende penninge af te lossen de schultbrieff waarmede het voorschrevene hopotheece specialijc is geaffecteert met het verloop van soo veel deselve penninge strecken sullen mogen ende verdere alles anders te doen t geene diesaangaen sal werden gerequireert met belofte van t solvente sullen approberen onder verbant als naar rechten van behoudelijck dat de voorschreve geconstitueerde gehouden blijft verantwoordinge te doen als naar behooren versoeckende sich aff acte in forma.
Aldus gedaan binnen der Stadt Leyden ter presentie van Anthony Pieters de Blanch ende Gijsbert Cornelissen Swanenburg als getuigen beneffens mij notaris hier toe versocht.
‘t selve gestelde merck van Annetge Maartens van Moerkercke. Antony Pieterse de Blanch. Gijsbert Cornelis Swanenburgh.
‘t welc ic affirmere wg L. van Swieten not‘s publ. 1689.
folio 70.
Bron: Oud Recht Oegstgeest inv.nr. 26 folio 316.
oirconden dat voor ons gecompareerd ende verscheenen is Thomas van Zwieten wonende tot Leijden, als procuratie hebbende van Annetgen Maartens van Moerkercken weduwe ende boedelhouster van Jacob Jacobsz Coolloos overleden tot Oegstgeest en verclarende hij comp. in zijn voorschr. qualiteit en sulcx uijt cragte van zijn voorschr. procuratie gepasseert voor den notaris Lambert van Zwieten en seeckere getuigen binnen Leijden op den XI december anno 1689
ons schout ende schepenen ten verlijde deses vertoont ende laten leesen, int openbaar volgens .... voorwaarden vercoft te hebben en dienvolgen alsnu wettelijk op te dragen ende in eijgendom over te geven aan en ten behoeve van Thomas de Coninge schoenmaacker tot Oegstgeest een huijs ende erff, barge, boomgaart pootinge ende plantinge, tsamen groot omtrent drie hondt (=300 roeden) staande en gelegen aan de Lage, of Lijdwegh in de voorschr. heerlijkheid van Oegstgeest, belendt aan de een sijde ten zuijden Cornelis Danielsz van Nes ende aan dandere zijde ten noorden de heer Adriaan Wittert van der Sta strekkende voor vanaf de(?) Lijdwegh tot agter aan gemelde heer Wittert, all sulcx ‘t vercofte tusschen zijne belenden is gelegen, met alle ‘t geene daarinne op en aan, aart- en nagelvast is, den verkooper in qualite voorn.
Toebehoorde ende dit vrij ende sonder eenige belastinge, behoudens alleen den heer zijn reght, wijders met sodanige voor en nadeelige conditien, sevituyten vrijheden en bewaringe als begreepen staan in de oude waarbrieven en verdere bescheijden daar van zijnde, die den verkooper voor zoo veel hij d‘selve magtig is, aan de cooper zall overleeverd om hem daar na te gedragen: beloovende voorts hij comp. in qualite voorschr. t vercofte te vrijen en waaren als reght is, onder generaall verbandt van de nagelaten boedel en goederen van voormelde Jacob Jacobse Coolloos, eijntelijcken bekende hij comp. in sijn meergemelde qualiteijt ter saacke desen vercoopinge ende opdragte all wel en te vollen vernoegt voldaan en betaalt te zijn den laaste penninge metten eersten en dat met een somme van driehondert en vierentsestig guldens van XL groots t stuk in vrijen ende gereeden goede.
Desen oirconde heb ick bailliuww, ende schout, desen ten verlijde van de comparant met het zegel ter saacken van t schoutampt voorschr. verordent besegelt ende beneffens de voornoemde schepenen onder de plijcque, als mede ten registre geteijckent op den IIIe meij anno XVI C (1600) negentigh.
Coll
Coopvrij 364: 0: 0
Rente w.g. LAMBERTUS DE RUIJT
373: 2: 0
JACOB LAMBRECHT
40 penn: 9: 6: 8
GERRIT VAN DER MIJ
10: 5: 2
verantw in den staat begort(?) 1 april 1690.

